058. Bijbelstudie over
Onderwijs vanuit G’ds Woord is volgens Sha’ul [Paulus] de gezonde leer (Titus 2:1). Dit in tegenstelling tot onderwijs dat is gebaseerd op valse leer of aangepast aan de tijdgeest. Gezond onderwijs geeft ons een gezond denkpatroon waardoor wij G’ds bedoelingen beter leren begrijpen en in gehoorzaamheid kunnen uitvoeren met als uiteindelijke doel: om de leer van G’d, onze Heiland, in alles tot sieraard te strekken (Titus 2:10). G’ds sieraad zijn, een parel in G’ds hand! Is dat niet het verlangen van elke gelovige? Door Zijn Woord en Geest en met onze instemming en inzet kan dat, G’d zij dank, inderdaad gebeuren! De gezonde leer in vorm en uitwerking, de ware leerstellingen van het Evangelie, zij maken de gelovige mannen en vrouwen bekwaam in en krachtig tot de dienst van G’d. De vrouwen, zo goed als de mannen, moeten hun plichten horen en leren uit het Woord van G’d, want er is voor beide seksen slechts één weg ter zaligmaking: Yeshua! Beiden moeten als gelovige mensen hun specifieke taken en posities leren aanvaarden en toepassen, zonder die van de ander te begeren. En juist dat laatste is tegenwoordig voor velen een groot probleem. In de hedendaagse westerse maatschappij is er geen duidelijke taakverdeling meer tussen mannen en vrouwen en ook de uiterlijke verschillen worden steeds vager: talrijke vrouwen laten hun haar kort knippen, vele mannen daarentegen laten het lang groeien en ook in de mode en in het bedrijfsleven zijn de grenzen tussen de beide seksen helaas in toenemende mate aan het vervagen. Ook aan onze gemeenten gaat dit verschijnsel niet voorbij en onder het mom van een vermeende christelijke vrijheid komen steeds meer zusters in opstand tegen de “mannelijke overheersing” en eigenen zich taken en posities toe, die de Eeuwige aan de broeders heeft gegeven. Bijbelteksten over dit onderwerp worden derhalve opzij geschoven als zijnde verouderd, niet voor deze tijd en zeker niet voor de westerse maatschappij bedoeld. Maar niets is minder waar, want de Bijbel is het tijdloze en onveranderde Woord van G’d en van toepassing voor alle mensen van alle volken en van alle tijden! Door het serieus bestuderen van G’ds Woord leren wij Zijn wil en Zijn orde kennen om die in ons leven toe te kunnen passen. Eindeloze problemen doen zich echter voor in vele gezinnen, maar ook in vele gemeenten, waarin G’ds orde niet meer in acht wordt genomen. Vrouwenbewegingen vechten om rechtsgelijkheid in elk opzicht, want veel vrouwen willen tegenwoordig minstens evenveel te zeggen hebben als de mannen, zo niet meer! Zelfs gelovige vrouwen, die echt hun hart aan de Eeuwige hebben gegeven, staan dermate bloot aan deze invloed van de wereldse tijdgeest, dat zij het bijbelse voorschrift, dat zij zich aan hun mannen moeten onderwerpen, niet meer kennen. Dat blijft echter niet zonder gevolgen, want als de vrouw zich niet meer onder haar man stelt, dan is het begrijpelijk dat de man van zijn kant zijn verantwoordelijkheid voor het gezin ook niet meer ernstig neemt, omdat aan hem het gezag wordt ontnomen, dat hij van de Eeuwige heeft gekregen. Wanneer een vrouw haar man niet van harte hoogacht en de hem door G’d gegeven plaats in het gezin niet respecteert, dan moet zij zich er niet over verwonderen als de kinderen haar voorbeeld volgen en haar met hetzelfde gebrek aan respect behandelen.
Opstand tegen G’d
Onze westerse maatschappij is in opstand tegen G’d, want de wereld wordt langzaam maar zeker klaargemaakt voor de komst van de antichrist. Aan de andere kant wil de Eeuwige, de G’d van Israël, Zijn bruid, de Gemeente, klaar maken voor de komst van de Mashiach Yeshua! Als wij bij de opname (of beter gezegd: de wegname) van de Gemeente niet achter willen blijven, dan moeten wij alle uitingen van de tijdgeest, alle opstandigheid en heidense invloeden uit onze harten en uit onze gemeenten verwijderen en terugkeren naar de basis van ons geloof: de Bijbel, het Woord van G’d inclusief de Tora, die foutief “de wet” genoemd wordt, met al haar geboden en inzettingen! Begrijp me goed: Wij worden door de wet absoluut niet behouden, want onze behoudenis is uitsluitend door het verzoenend offer van Yeshua mogelijk: er is geen andere weg! Maar in de Tora wordt de wil van G’d aan ons bekendgemaakt, want hoe zouden wij anders weten wat zonde is? De juiste definitie van “zonde” is namelijk, dat men de wil van G’d niet doet. Zonder de Tora zijn wij niet in staat om de wil van G’d te kennen, want die staat duidelijk omschreven in alle 613 geboden en verboden. Juist de misvatting dat wij vrij zouden zijn van de wet, dat wij niet meer onder de wet zijn en de wet als het ware afgeschaft zou zijn omdat ergens staat dat Yeshua het einde van de wet is, heeft ervoor gezorgd dat men zich niet meer in de Tora verdiept en men derhalve G’ds wil niet meer kent en het Joodse, bijbelse denken helaas moest wijken voor het Griekse, heidense denken, waardoor onder andere de kerstboom en de paaseitjes de kerk binnenkwamen en de zondag de plaats heeft ingenomen van de door G’d zelf ingestelde Shabat. Deze misvatting berust helaas op een verkeerde vertaling van Romeinen 10:4, waarin wij lezen: “Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.” In het Grieks staat hier echter het volgende:
teloV gar nomou cristoV eiV dikaiosunhn panti tw pisteuonti””””“””””””“”””””
telos gar nomou Christos eis dikaiosynen panti to pisteuonti.
Zoals de vertaler denken ook vele lezers uit dit vers te begrijpen dat Yeshua de wet heeft beëindigd, maar het Griekse woord dat hier vertaald wordt met “einde” is teloV “telos”, waarvan de normale betekenis in het Grieks niet “einde” of “beëindiging” is, maar “doel”, “oogmerk” ofwel “voltooiing”. Met Zijn vooruitziende blik voorzag Yeshua reeds toen al dat de verkeerde interpretatie hiervan later verstrekkende gevolgen zou hebben, die de gelovigen eerder van G’d verwijderen dan dichter bij Hem brengen. Daarom legde Hij het zo duidelijk uit, dat zelfs een peuter het zou moeten snappen: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de Wet, eer alles zal zijn geschied. Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen. Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan!” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 5:17-20). In de Groot Nieuws Bijbel staat het zo: “Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze hun volle betekenis te geven. Ik verzeker u: zolang hemel en aarde bestaan, zal niet één lettertje of streepje uit de wet geschrapt worden totdat alles gebeurd is. Wie dus één van deze geboden afschaft, al is het nog zo klein, en anderen leert hetzelfde te doen, zal de kleinste genoemd worden in het hemelse koninkrijk. Maar wie zich aan de geboden houdt en anderen leert hetzelfde te doen, die zal een grote naam hebben in het hemelse koninkrijk. Ik zeg u: als uw gerechtigheid niet boven die van de schriftgeleerden en Farizeeën uitgaat, zult u het hemelse koninkrijk zeker niet binnenkomen.” - Het Boek is daarin nog duidelijker: “Denk niet dat Ik ben gekomen om de wetten van Moshe [Mozes] en de woorden van de profeten opzij te schuiven. Ik ben juist gekomen om er de volle betekenis aan te geven. Ik zeg u met nadruk: Tot de hemelen en de aarde vergaan, zal nog geen letter van de wet afgedaan hebben. Alles moet eerst volbracht zijn. Wie tegen de mensen zegt dat het niet zo nauw luistert en zelfs maar het kleinste gebod afschaft zal de kleinste zijn in het Koninkrijk van de hemelen. Maar wie zich aan G’ds wetten houdt en anderen leert dat ook te doen zal groot zijn in dat Koninkrijk. Want Ik waarschuw u. Als uw oprechtheid niet groter is dan die van de g’dsdienstleraars en de Farizeeërs, komt u het Koninkrijk van de hemelen niet eens binnen!” - Yeshua spreekt hier een harde taal, veel harder dan enige voorganger of oudste zich zou kunnen veroorloven.
Terug naar G’ds orde
De Mashiach komt spoedig en Hij wil Zijn bruid klaar maken voor Zijn komst! Wij mogen daarom Zijn geboden niet langer negeren en wij moeten derhalve terugkeren naar G’ds “altoosdurende inzettingen”, want dat is het wat G’d wil! Hem kennen en aanbidden alleen is echt niet genoeg, want Yeshua heeft immers zelf gezegd: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is” (vhyttm Matityahu [Mattheüs] 7:21), en in a ]nxvy Yochanan alef [1 Johannes] 2:17 lezen wij: “En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van G’d doet, blijft tot in eeuwigheid.” - Als wij een verschrikkelijk gericht willen voorkomen, moeten wij G’ds geboden opvolgen en bijbelgetrouwe gezinnen stichten. Zulke gezinnen komen echter slechts daar tot stand waar elk gezinslid de hem of haar toegewezen plaats inneemt en zich de plichten en taken door de Eeuwige laat toebedelen. G’ds normen liggen hoog en zijn niet altijd makkelijk te vervullen, maar zij dienen er niet alleen toe om gelukkige en harmonieuze gezinnen op aarde te krijgen, maar ook om de gemeente, die het lichaam van Yeshua is, goed te laten functioneren en zij bereiden ons tevens voor op de abh ,lvi Olam Haba [het toekomende leven] in het duizendjarig vrederijk! Het is derhalve van groot belang om zich juist in deze huidige tijd waarin zoveel onwetendheid heerst, te verdiepen in het Woord van G’d! De Almachtige gaf daarin aan deze wereld een concept voor een leefbare samenleving. Maar wanneer gemeend wordt dat men zich daaraan in het gezin of in de kerk niet meer hoeft te houden omdat wij niet meer onder de wet maar onder de genade leven, dan moet men rekening houden met de consequenties. De Bijbel roept alle zusters op: “Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan de Eeuwige, want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals de Mashiach het hoofd is Zijner gemeente; Hij is het, die Zijn lichaam in stand houdt. Welnu, gelijk de gemeente onderdanig is aan de Mashiach, zo ook de vrouw aan haar man, in alles.” (Efeziërs 5:22-24). Let op: dit is geen verzinsel van heerszuchtige mannen, maar één van G’ds huisregels voor het gelovig gezin. Wie zich echter aan Zijn regels niet stoort, kan van Hem uiteraard ook geen zegen verwachten! Als gelovige vrouwen zich er meer van bewust waren welke houding de Eeuwige werkelijk van hen verwacht en zij Zijn wil serieus ter harte namen dan zouden zij er voorzichtiger zijn met het streven naar emancipatie in de gemeente en in het gezin. G’ds woorden zijn hier zo ondubbelzinnig, en toch worden deze bijbelse waarheden heden ten dage niet of zelden verkondigd. Veel predikers zwijgen over dit onderwerp omdat zij zelf van mening zijn dat dit niet voor onze tijd en cultuur van toepassing is, en anderen doen geen poging om deze boodschap te verkondigen, omdat dit tegenwoordig erg gevoelig ligt en de tegenstand ertegen zo groot is dat zij de moed niet hebben om G’ds wil ten opzichte van de verschillende posities van man en vrouw te te prediken. Maar in de tijd van Sha’ul [Paulus] was het eigenlijk niet veel anders. Daarom worden in Titus 2:3-5 de oude vrouwen opgeroepen om hun jonge zusters in de gemeente te onderwijzen in de echtelijke en g’dsdienstige plichten overeenkomstig hun leeftijd, want zulk onderricht wordt dikwijls van bejaarde vrouwen eerder aangenomen dan van mannen; ook al zijn ze voorgangers of oudsten. De bejaarde vrouwen moesten zich derhalve toeleggen op het onderrichten van de jonge zusters, voornamelijk van de getrouwde jonge vrouwen, want Sha’ul [Paulus] heeft het hier over hun plichten jegens echtgenoten en kinderen. De oude zusters moeten deze jonge vrouwen leren, hun mannen en kinderen lief te hebben, goede huisvrouwen te zijn en hun mannen te gehoorzamen in onderdanigheid. Waar liefde is zal dit geen zwaar gebod zijn, want ook Yeshua was gehoorzaam tot in de dood. G’d heeft deze onderdanigheid geboden, want Hij wil niet dat de vrouw over de man heerst omdat het huwelijk van man en vrouw een afspiegeling is van het huwelijk dat de Bruidegom Yeshua met Zijn bruid, de Gemeente wil sluiten! Daarom, gelijk de gemeente aan Yeshua onderdanig is, behoren de vrouwen aan hun mannen onderdanig zijn. Het is dus geen onbeperkte, slaafse onderdanigheid, die geëist wordt, maar een onderwerping uit liefde, om wanorde en verwarring te voorkomen. Man en vrouw hebben van hun Schepper elk een eigen plaats in het gezin, maar ook in de gemeente gekregen, die onderling niet verwisselbaar is. Vanuit dit basisprincipe heb ik deze bijbelstudie geschreven, waarvan dit het tweede deel is. Ik ben mij er terdege van bewust, dat het mij misschien niet door iedereen in dank zal worden afgenomen, maar als ik hier op deze wijze doorgeef wat G’ds onveranderlijk Woord, de Bijbel, over dit onderwerp leert, dan doe ik dit omdat de Eeuwige het mij heeft opgedragen om aan u door te geven, maar ook in de hoop en in de verwachting, dat het uitvoeren van G’ds wil de Gemeente klaar zal maken voor de spoedige komst van de Mashiach en gelukkige, harmonieuze gezinnen zal voortbrengen.
Orde in de gemeente
In deel 1 van deze
bijbelstudie hebben wij 1 Korinthiërs 11:2-16 doorgenomen, waarin wij lazen dat
het er in de gemeente van Korinthe nogal wanordelijk aan toe ging. Er waren
hier namelijk vrouwen die zonder hoofdbedekking in de samenkomst gingen bidden
en profeteren, waarmee zij openlijk aanspraak maakten op de plaats van de man
en daardoor G’ds orde naast zich neerlegden. Sha’ul
[Paulus] heeft daar heel wat moeten corrigeren, maar ook nu nog zien wij maar
al te vaak in vele gemeenten dames zonder hoofdbedekking en dikwijls zelfs ook
nog met kortgeknipt haar bidden en profeteren, wat dus duidelijk in strijd is
met dit bijbelgedeelte. Terwijl zij enerzijds zeggen: “Zo spreekt de HERE”,
negeren zij aan de andere kant door hun uiterlijke verschijning de wil van G’d,
vaak zonder zich daarvan bewust te zijn. Vandaar deze bijbelstudie. In deel
twee behandelen wij 1 Korinthiërs 14:34-38. De context hiervan is nog steeds de
bestrijding van de wanorde in de samenkomsten, maar hier gaat het om vrouwen,
die in de gemeente gingen spreken op een wijze die wel eens buiten de grenzen
ging van wat men vanuit de bijbelse normen welvoeglijk achtte: “Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen
in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij
moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de Tora
zegt. En als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om
opheldering vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de
gemeente. Of is het Woord G’ds bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?
Indien iemand meent een profeet of geestelijk mens te zijn, laat hij dan wel
weten, dat hetgeen ik u schrijf, een gebod des Heren is. Maar als iemand
hiermede niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend.” (1 Korinthiërs 14:34-38).
Dit is duidelijke taal en Sha’ul benadrukt dat
niet hij dit heeft verzonnen, maar dat het een gebod van de Eeuwige is. In de wereld om ons heen, maar ook in de kerk
gaan de dingen echter heel anders dan wat wij zojuist in deze teksten uit de
Korinthenbrief hebben gelezen. Ik kan mij best indenken dat met name
vrouwelijke dominees en pastoraal werksters hier ontzettend veel moeite mee
hebben, maar dat neemt niet weg dat deze keiharde uitspraken in de canonieke
geschriften van h>dxh9tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] voorkomen en derhalve
deel uitmaken van G’ds Woord! Wij moeten deze teksten daarom eigenlijk wel nog
een keer vers voor vers overlezen om onze gedachten hierover een beetje zuiver
te krijgen:
Hoofdstuk 14,
vers 34: “Zoals in alle gemeenten der heiligen moeten de vrouwen in de
gemeenten zwijgen; want het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten
ondergeschikt blijven, zoals ook de Tora zegt.”
Als zondaars maakt de Almachtige geen onderscheid tussen man en vrouw, want beiden hebben immers gezondigd, maar beiden kunnen door Yeshua ook zonder onderscheid gered worden. In Hem zijn man en vrouw gelijk (Galaten 3:5), maar dat wil nog niet zeggen, dat de vrouwen zowel in het gezin alsook in de gemeente dezelfde plaats hebben als de mannen. Zij zijn wel gelijkwaardig aan elkaar, maar daarom nog niet elkaars gelijken! Heel duidelijk staat er dat de vrouwen niet mogen spreken in de samenkomst. Volgens 1 Korinthiërs 11:2-16 mogen zij wel hardop bidden en profeteren onder de strikte voorwaarde, dat zij daarbij een hoofddoek of sluier dragen, want ook de zusters mogen uiteraard elk met hun eigen genadegaven de Eeuwige dienen en daarmee bijdragen aan de opbouw van de gemeente. Maar het spreken waarover het hier gaat, is meer in de zin van prediken of het uitleggen van de Schrift, wat gelijkstaat met leren, hetgeen met haar staat van ondergeschiktheid niet overeenkomt. Een leraar heeft namelijk in bepaald opzicht macht over anderen, en juist dat is aan de vrouw over de man niet geoorloofd. Daarom kan haar niet toegestaan worden om in een samenkomst te onderwijzen. Kennelijk waren er vrouwen in de gemeente van Korinthe, die echter de christelijke vrijheid misbruikten door zich boven hun mannen te verheffen. Wat dat betreft, is het dus niets nieuws onder de zon, maar binnen de cultuur van het Jodendom alsook in de hellenistische wereld werd het als zeer ongepast beschouwd wanneer vrouwen in het openbaar met mannen discussieerden of zelfs het woord voerden, want het past niet bij de onderdanige houding die zij tegenover de mannen behoren in te nemen. Deze onderdanigheid is zoals reeds eerder benadrukt, geen uitvinding van Sha’ul. Hij beroept zich hiervoor op de Tora. De uitdrukking: ‘Zoals ook de Tora zegt’ verwijst naar wat in ty>arb B’reshit [Genesis] 3 wordt verhaald. Omdat Chava [Eva] zonder met Adam te overleggen met de slang in discussie ging en daardoor de zonde in de wereld kwam, heeft de Almachtige haar als straf onder het gezag van haar man geplaatst, en deze verhouding geldt nog steeds. Daarom is het vrouwen ook niet toegestaan om de gemeente gezaghebbend te onderwijzen. Kijk maar wat er staat in 1 Timoteüs 2 vers 8 t/m 15: “Ik wil dan, dat de mannen op iedere plaats bidden met opheffing van heilige handen, zonder toorn en twist. Evenzo, dat de vrouwen zich sieren met waardige klederdracht, zedig en ingetogen, niet met haarvlechten en goud of paarlen en kostbare kleding, maar (zo immers betaamt het vrouwen, die voor haar g’dsvrucht uitkomen) door goede werken. Een vrouw moet zich rustig, in alle onderdanigheid, laten onderrichten, maar ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag over de man heeft; zij moet zich rustig houden. Want eerst is Adam geformeerd, en daarna Chava [Eva]. En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen; doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid.” – Welnu, als deze dingen algemeen gelden, dan toch zeker ook in de samenkomsten van de gemeente. De vrouw is in geestelijk opzicht volkomen gelijkwaardig aan de man, maar zij is wel met de scheppingsorde door G’d onder de man gesteld en daarom komt het haar in de gemeente niet toe om gezag hebbend te onderwijzen of om degene die het onderricht geeft, te onderbreken. Dit betekent echter niet, dat een vrouw op geen enkele manier zou mogen onderwijzen, want er zijn natuurlijk uitzonderingen zoals het onderwijzen van kinderen en andere vrouwen. Dat de vrouw geen gezag mag hebben over de man, is dus niet gegrond op een cultuur- of tijdbepaalde gewoonte, maar op de door de Schepper ingestelde orde! G’d let nauwkeurig op de daden van alle mannen en vrouwen in de wereld. In hoofdstuk 11 van de Korinthenbrief lazen wij de vorige keer, dat Zijn engelen daarover waken. De onderdanigheid van de vrouwen aan hun mannen is een hvvjm Mitz’va [religieuze plicht], die in alle eeuwen door de gelovige vrouwen is beoefend: niet uit vrees, niet gedwongen, maar uit begeerte om wel te doen en de Eeuwige te behagen. Nergens in de Bijbel wordt de onderdanige houding van de vrouw tegenover haar man echter afhankelijk gemaakt van zijn karakter of zijn gedrag ten opzichte van haar. G’d eist gewoon van de vrouwen, dat zij hun plicht door gehoorzaamheid aan hun man vervullen, ongeacht of hij nu goed of slecht is, want Hij gebiedt de kinderen evenzo om hun ouders te gehoorzamen, zelfs als het geen goede ouders zijn. G’d laat geen verontschuldiging gelden als een mindere zijn meerdere, een kind zijn ouders en een vrouw haar man niet gehoorzamen wil. Hetzelfde principe komen wij ook tegen in 1 Petrus 3:1-7. Nadat de apostel er op heeft gewezen dat de Eeuwige van de knechten eist, hun heren te gehoorzamen, ook al zijn deze soms onheus, en dat de burgers van een land de wetten van hun overheid moeten gehoorzamen, ook als deze door slechte, bedorven mensen zijn opgelegd, richt hij zich nu tot de vrouwen: “Evenzo gij, vrouwen, weest uw mannen onderdanig, opdat, ook indien sommigen aan het woord niet gehoorzaam zijn, zij door de wandel hunner vrouwen zonder woorden gewonnen worden, doordat zij uw reine en g’dvrezende wandel opmerken. Uw sieraad zij niet uitwendig: het vlechten van haar, het omhangen van goud of het dragen van gewaden, maar de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog van G’d. Want aldus tooiden zich ook weleer de heilige vrouwen, die hoopten op G’d, onderdanig aan haar mannen, zoals Sara Avraham gehoorzaamde en hem heer noemde; en haar dochters zijt gij, als gij goed doet en u geen schrik laat aanjagen. Desgelijks gij, mannen, leeft verstandig met uw vrouwen, als met brozer vaatwerk, en bewijst haar eer, daar zij ook mede-erfgenamen zijn van de genade des levens, opdat uw gebeden niet belemmerd worden.” De geschiedenis van Israël kent heel wat ‘heilige vrouwen’ zoals o.a.: Rut, Chana [Hanna], Sara, D’vora [Deborah] en Ester. Keifa [Petrus] illustreerde zijn oproep tot onderdanigheid met een verwijzing naar één van deze vrouwen, namelijk Sara, de vrouw van Avraham. Als nu de gelovige vrouwen in de gemeente dezelfde houding als Sara vertonen, dan laten zij daarmee zien dat zij haar kinderen zijn omdat zij door hun g’dvrezende gedrag blijk geven te behoren tot de G’d van Israël en daarmee tevens tot Zijn uitverkoren volk. “Dochters van Sara” is een soortgelijke uitdrukking als “Kinderen van Avraham” (]nxvy Yochanan [Johannes] 8:39. Beide uitdrukkingen wijzen op geloofsverbondenheid. Maar het geloof in Yeshua moet leiden tot een nieuwe verhouding in het huwelijksleven, gebaseerd op liefde en toewijding. Aan de mannen wordt daarom de opdracht gegeven zorgvuldig met hun vrouwen om te gaan, omdat zij niet alleen echtgenotes, maar op de eerste plaats ook zusters in het geloof zijn: “Vrouwen, weest uw man onderdanig, gelijk het betaamt in de Eeuwige. Mannen, hebt uw vrouw lief en weest niet ruw tegen haar.” (Kolossenzen 3:18-19). Dit alles heeft overigens uitsluitend betrekking op het huwelijk! Buitenechtelijke relaties en lat-relaties zijn ondanks de brede aanvaarding in de maatschappij nog steeds een gruwel in G’ds ogen! Wij gaan weer terug naar de eerste korinthenbrief, waarin Sha’ul dus schrijft, dat de zusters in de samenkomst moeten zwijgen, hetgeen wij zowel kunnen opvatten als een verbod om te onderwijzen alsook om zich in discussies te mengen of de spreker in de rede te vallen:
Vers 35: “En
als zij iets willen te weten komen, moeten zij thuis haar mannen om opheldering
vragen; want het staat lelijk voor een vrouw te spreken in de gemeente.”
In het
Grieks staat hier letterlijk: “Indien
zij nu iets willen leren, moeten zij thuis hun eigen mannen ernaar
vragen, want het is namelijk schandelijk voor vrouwen om in de gemeente te
spreken.” (ei de ti maqein qelousin en oikw touV idiouV andraV eperwtatwsan aiscron gar estin gunaixin en ekklhsia lalein. Ei de ti mathein thelousin en oikōi thous idious
andras ep erōtatōsan aischron gar estin gunaixin en
ekklēsiāi lalein). Hier komt dus
het leren in de betekenis van onderwezen worden aan de orde, zoals het Griekse
woord maqein “mathein” zegt. In de
Studiebijbel lezen wij over dit vers het volgende commentaar: Kennelijk vond
tijdens de samenkomst van de gemeente een deel van het onderwijs plaats op
dezelfde manier als in de Joodse synagoge, waarbij de leerlingen door middel
van het stellen van vragen aan hun rabbijnen onderwijs ontvingen (vgl. Lucas
2:46 en 2 Timoteüs 3:16, w.st.). Ook profetieën kunnen een onderwijzend
karakter hebben (vers 31). Behalve door interrupties tijdens de beoordeling van
profetieën zouden ook bij het onderwijs de bewuste vrouwen door het stellen van
vragen en het discussiëren met de leraar de boventoon kunnen gaan voeren.
Daarom wordt het hun ook verboden om tijdens het onderwijs in de gemeente
interrumperende vragen te stellen of met de leraar in discussie te gaan.
Aangezien de meeste vrouwen gehuwd zijn, kunnen ze met hun vragen thuis bij hun
eigen man terecht. Als motivatie wordt hier genoemd dat het schandelijk (aiscroV aischros: schandelijk, lelijk, vgl. 11:6) is voor een vrouw om in
de gemeente op deze wijze te spreken. Wij proeven in dit ‘schandelijk’ de
cultuur van het Jodendom en het hellenisme, waarbinnen de vrouw een meer
afwachtende houding behoorde in te nemen. Het werd als niet netjes en
onbeschaafd beschouwd wanneer een vrouw met mannen in discussie ging. Overigens
heeft het begrip ‘schandelijk’ in iedere cultuur eigen invullingen. Maar het is
niet in het belang van de verkondiging van het Evangelie dat in de gemeente
gedragingen worden getolereerd of gepropageerd die in de heersende cultuur als
wetteloos, schandelijk en schaamteloos worden ervaren”. Tot zover de
Studiebijbel. Ik wil bij dit laatste nog wel aan herinneren dat de eerste
gemeente volledig Joods was en de heidenen pas later erbij zijn gekomen. Het is
waar ter wereld dan ook een kwestie van fatsoen dat nieuwkomers zich aanpassen
aan de bestaande cultuur en de bestaande huisregels en dus niet andersom! Sha’ul [Paulus]
legt hier met apostolisch gezag het zwijgen op aan de vrouwen in de openbare
samenkomsten en hij gaat daarin zelfs zo ver dat zij daar niet eens vragen
mogen stellen als ze iets niet begrijpen, maar thuis aan hun eigen mannen
moeten vragen om het hun uit te leggen. Dit houdt natuurlijk in dat van de man
wordt verwacht, dat hij ook inderdaad op de vragen van zijn vrouw antwoord kan
geven, want als het de plicht is van de vrouw om zich in stilte en onderwerping
te laten onderwijzen, dan is het de roeping van de man zijn meerderheid te
tonen door instaat te zijn om haar vragen te kunnen beantwoorden. Wanneer het
voor haar een schande is om in de gemeente te spreken, waar zij behoort te
zwijgen, dan is het voor hem een schande voor hem om te zwijgen waar hij
behoort te spreken, en niet in staat te zijn om haar vragen te kunnen
beantwoorden wanneer zij hem thuis iets vraagt wat zij in de samenkomst niet
heeft begrepen. Onze geest en ons gedrag moeten in overeenstemming zijn met
onze rang in G’ds scheppingsorde en daarom moeten wij dan ook de natuurlijke
onderscheidingen, die G’d gemaakt heeft, in acht nemen. Zij, die door de
Eeuwige in onderwerping aan anderen geplaatst zijn, mogen zichzelf niet met hen
op één hoogte stellen, noch zich de meerderheid over hen aanmatigen. De vrouw
is aan de man ondergeschikt gemaakt door G’d zelf en zij moet die plaats
innemen en er tevreden mee zijn, omdat zij andere taken heeft te vervullen dan
de man in G’ds koninkrijk en daarom moeten de vrouwen zwijgen in de gemeente en
zich niet tot leraressen ofwel dominees of oudsten opwerpen. Maar wie dit in
deze tijd en vooral hier in Nederland hardop durft te verkondigen, maakt zich
in de gemeente zeker niet gelief, want velen zijn van mening dat dit soort
bijbelteksten achterhaald en uit de tijd zijn. Maar laat je niet misleiden! Ook
al vindt de hele wereld het ronduit discriminerend en seksistisch wat de Bijbel
hierover leert, ook al zie je overal om je heen dat de vrouwen zowel in de
politiek, in het bedrijfsleven, in het gezin en zelfs ook in de kerk steeds
meer de leiding in handen heeft en de dienst gaat uitmaken, ook al lees je in
de kranten dat ook de kinderen steeds meer rechten en medezeggenschap krijgen
en als het ware op één niveau met de volwassenen geplaatst worden, dan nog zegt
het Woord van G’d, dat tijdloos en onveranderlijk is, tegen de ware gelovigen:
“Maar gij geheel anders, want gij hebt de Mashiach leren kennen”! (Efeziërs 4:20). Terug
naar de korinthenbrief:
Vers 36: “Of
is het Woord G’ds bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?”
Sha’ul [Paulus] wil daarmee zeggen: Het Woord van G’d is toch van G’d Zelf en
niet van jullie uitgegaan? Jullie kunnen toch niet bepalen wat er moet gebeuren
in de gemeente, alsof de Eeuwige Zelf daarover niet het nodige heeft gezegd?
Dus ook al vinden wij sommige dingen niet leuk of uit de tijd, toch kunnen wij
ons maar beter houden aan datgene wat Hij van ons allen verwacht, ook al heb je
de grote massa daarin niet mee. We kunnen ook in deze tijd niet zomaar de
bijbelse voorschriften naast ons neerleggen, ook niet onder het mom van een
vermeende vrijheid van de wet! Wat Sha’ul hier heeft geschreven over de orde in de gemeente heeft hij niet zelf
verzonnen, maar in gehoorzaamheid aan het gebod van G’d! Daarom is het ook geen
vriendelijk verzoek om het zo te doen, maar een opdracht, een Mitzva! De ironische opmerking van Sha’ul: “Is het Woord van G’d van
jullie uitgegaan? Of is het alleen tot jullie gekomen?” kan alleen maar
ontkennend worden beantwoordt. Wij moeten ons dus houden aan datgene wat reeds
voor onze tijd aan normen en waarden voor de eredienst is vastgelegd!
Vers 37:
“Indien iemand meent een profeet of geestelijk mens te zijn, laat hij dan wel
weten, dat hetgeen ik u schrijf, een gebod van de Eeuwige is.”
Sha’ul benadrukt, dat hij niet uit zichzelf de regels voor de orde in de
gemeente heeft bedacht, maar dat hij hier spreekt namens de Eeuwige, de G’d van
Israël! Hij schrijft dat juist degenen, die menen op grond van hun geestelijke
gaven goede christenen te zijn, zouden moeten inzien dat hij het heeft over voorschriften
van de Almachtige en dat het niet een door mensen verzonnen kerkorde is! Hij
beroept zich daarvoor op de Tora [wet] met haar geboden, waarvan vele christenen beweren dat deze juist
volgens diezelfde Sha’ul [Paulus] niet meer voor de nieuwtestamentische gelovigen van
toepassing zouden zijn! Dat dit echter een groot misverstand is blijkt uit het
volgende vers:
Vers 38:
“Maar als iemand hiermede niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend.”
Deze zinsnede herinnert aan de uitspraak van Yeshua:
“Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen,
hem zal ook Ik belijden voor Mijn Vader, die in de hemelen is; maar al wie Mij
verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor Mijn Vader,
die in de hemelen is.” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 10:32-33) alsook: “Ik zeg u: Een ieder, die Mij
belijden zal voor de mensen, hem zal ook de Zoon des mensen belijden voor de
engelen G’ds; maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend
worden voor de engelen G’ds.” (Lucas 12:8-9). Sha’ul schrijft ten aanzien van de gedragsvoorschriften voor de gemeente
dan ook precies op dezelfde wijze: “Maar
als iemand hiermede niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend!” In de
Werenfriedus-Vertaling staat het eigenlijk zelfs nog veel confronterender: “Wie
dit verwerpt wordt zelf verworpen!” en in de vertaling van Het Boek lezen
wij: “Wie het negeert, zal zelf genegeerd worden!” De Groot Nieuws Bijbel benadert echter
evenals de Leidsche Vertaling nog het meest de Griekse grondtekst: ei de tiV agnoei agnoeitai - Ei de tis agnoei agnoeitai - “Wie dat niet erkent, wordt zelf ook niet erkend (of gekend)!”
- De bewoordingen van dit vers: “Indien iemand dit niet erkent, wordt hij (of
zij) niet gekend” lijkt naar de zeer bekende uitspraak van Yeshua [Jezus] in vhyttm Matityahu [Matthéüs] 7:21-23 te verwijzen: “Niet een
ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan,
maar wie doet de wil Mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen zullen te dien
dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd en in
Uw naam boze geesten uitgedreven en in Uw naam vele krachten gedaan? En dan zal
Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij werkers
der wetteloosheid.” Wie de gaven van Ruach haQodesh
[de Heilige Geest] gebruikt zonder G’ds wil te doen en de Tora, G’ds wet, waarin Zijn wil tot in de details
staat vermeld, achteloos ter zijde schuift onder het mom van “Wij zijn toch
vrij van de wet”, wordt volgens Sha’ul en ook
volgens Yeshua Zelf uiteindelijk door de
Eeuwige niet gekend! Iets om over na te denken! Maar iemand die Hem liefheeft,
zich door de Geest van G’d laat leiden en van ganzer harte gelooft, dat G’ds
Woord tijdloos en onveranderlijk is, die zal met Zijn geboden geen moeite
hebben, want het gaat helemaal niet om het krampachtig naleven van wat foutief
‘de wet’ genoemd wordt, maar heel eenvoudig om het uit liefde voor onze hemelse
Vader doen wat Hij van ons vraagt en nalaten wat Hij heeft verboden. Eigenlijk
is het heel simpel, of niet soms? Laten wij derhalve de volgende verzen ter
harte nemen om G’ds liefde en Zijn zegen in ons persoonlijk leven, in onze
gezinnen en in onze gemeenten te mogen ervaren: “En hieraan onderkennen wij,
dat wij Hem kennen: indien wij Zijn geboden bewaren. Wie zegt: Ik ken Hem, en
Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; maar
wie Zijn Woord bewaart, in die is waarlijk de liefde G’ds volmaakt. Hieraan
onderkennen wij, dat wij in Hem zijn. Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort
ook zelf zo te wandelen, als Hij gewandeld heeft.” – “Wij weten, dat wij uit
G’d zijn en de gehele wereld in het boze ligt. Doch wij weten, dat de Zoon van
G’d gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij
zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Yeshua haMashiach.
Dit is de waarachtige G’d en het eeuwige leven.” (]nxvy a Yochanan alef
[1 Johannes] 2:3-6 en 5:19-20).
Werner Stauder